Het
recente boek van Ruud Koole over democratie en democratische rechtsstaat
(liberal democracy past beter) is een fijn hedendaags handboek politicologie.
Niet alleen omdat ik van zowat alle opgevoerde wetenschappers les heb gehad of
literatuur gelezen, maar toch vooral om de volledigheid en om de rake analyses.
Bladzijde naar bladzijde galmde “dat vind ik ook” door m’n hoofd.
Koole verdeelt democratie
in twee pijlers: de electorale en de juridisch-bestuurlijke. De eerste pijler
betreft alles wat met kiesstelsel en volksvertegenwoordiging te maken heeft –
legitimiteit is er gebaseerd op eerlijke en vrije verkiezingen, controle en
meerderheden. In de tweede pijler komt legitimiteit voort uit onafhankelijkheid
en verantwoording, al behandelt Koole dat laatste fenomeen maar beperkt. Hij stelt
vast dat de drie centrale kenmerken van een rechtsstaat (in de zin van rule of
law) een onafhankelijke rechter, het legaliteitsbeginsel en het respect voor
mensenrechten zijn. Aangezien parlementaire meerderheden beslissend zijn voor
de wet, zijn die drie rechtsstaatkenmerken democratisch. De definitie van democratie van Schumpeter is immers “that
institutional arrangement for arriving at political decisions (wetgeving!) in
which people acquire the power to decide by means of a competitive struggle for
the people’s vote”
Hij neemt vooral de
belangrijkste democratietheorieën door en dan houdt hij de ontwikkelingen in
Nederland daar tegenaan. Zo legt hij uit dat Montesquieu het nooit over een
trias politica heeft gehad en in een land van politieke minderheden is monisme
een voorwaarde om regeren überhaupt mogelijk te maken. Dat een gefragmenteerde Kamer
een teken van uitstekende inhoudelijke vertegenwoordiging is, maar dat er
steeds meer naar descriptieve vertegenwoordiging wordt verlangd wat een vorm
van identiteitspolitiek is en debat en compromis in de weg staat. Dat geen
enkele democratie ‘absoluut’ kan zijn en er altijd een aristocratisch of
elitair element in zit omdat zelfs directe democratie geen volkomen gelijke
invloed van zeventien miljoen mensen kan borgen. “Alleen een Kamer met
kwalitatief goede Kamerleden, van wie er een behoorlijk aantal meer dan één
volle periode zit, kan de controlerende functie van het parlement waar maken
tegenover een kabinet dat zich gesteund weet door een uitgebreide en permanente
bureaucratie.”
Dat burgerparticipatie en
‘doe-democratie’ bepaald niet democratisch zijn maar juist populistische
methoden om de belangenafweging en formulering van het algemeen belang door de
volksvertegenwoordiging te ondermijnen. Dat er altijd al veel democratische
weerzin tegen politieke partijen bestond maar dat ze onmisbaar zijn voor
vertegenwoordiging. Zonder politieke partijen zou de regering worden gevormd
door elites op grond van geboorte, rijkdom of positie.
Koole maakt zich met name
zorgen om de verstoring van het evenwicht doordat er erg veel macht naar het
bestuur verschuift, ten koste van de volksvertegenwoordiging. Dat gebeurt niet
alleen op nationaal niveau maar ook op lokaal en Europees niveau, al gaat het
in dat laatste geval niet om een verschuiving natuurlijk. Er zijn verschillende
oorzaken en mechanismen die de onbalans versterken, maar een hele belangrijke
is het optuigen van allerlei (zelfstandige) bestuursorganen die niet of
nauwelijks door het parlement kunnen worden gecontroleerd. “Terughoudendheid is
nog meer gewenst bij het overdragen van overheidstaken aan andere
technocratische instellingen, zeker wanneer die worden belast met
toezichthoudende en regelgevende taken. Bij hen ontbreekt, anders dan bij de
rechter (no plaintiff, no judge), een rem van benodigde externe actie voordat
zij mogen optreden.”
Dat verstoorde evenwicht
brengt risico’s met zich mee voor het draagvlak voor het democratisch bestel.
De legitimiteit van het openbaar bestuur zonder parlementaire inbreng komt
namelijk vooral voort uit het leveren van tastbare opbrengsten voor het
publiek. Maar als er geen opbrengsten zijn, of als de opbrengsten juist vanzelfsprekend
lijken, hapert de outputlegitimiteit.
Koole sluit af met een
waarschuwing tegen ont-democratisering, juist door de groei in aantal en
invloed van de non-majoritarian institutions, contre-démocratie of unelected
bodies.