maandag 15 november 2021

2g

 

De twee griezeligste manieren waarop it en discriminatie samen komen zijn (risico)profilering van individuele burgers, denk Syri, en politieke nudging: denk Cambridge Analytica of het social creditsysteem in China. Een totalitair regime zoals het Chinese houdt niet alleen alle burgers voortdurend in de gaten, maar verdeelt hen ook nog eens in categorieën al naar gelang hun ‘goeie gedrag’ en behandelt vervolgens elke categorie anders – de hopeloze groepen die nooit loyaal zullen zijn stop je in concentratiekampen waar ze zonnepanelen in elkaar kunnen schroeven, de blindelings getrouwen verdienen goeie scholen voor hun kinderen, betere woningen en mooie banen zolang ze maar blijven klappen voor de grote leider. Voor elke afwijking van de voorschriften over wat een Goed Chinees betaamt wordt afgerekend. Of je nou door het rood fietst, veroordeeld wordt wegens corruptie of een kritische blog publiceert.

Waar 3g een misschien domme maar wel oprechte poging lijkt om het beroep op zorg te beperken, is 2g toch echt een eerste bouwsteentje van een social credit systeem. Het onderscheid tussen drang en dwang wordt in een dergelijk systeem alsmaar virtueler. Je maakt het iedereen die zich niet conformeert aan de heersende norm lastiger om zich vrij te bewegen dan de brave burgers. Of andersom je beloont de braven met iets extra’s en de vaccinweigeraars krijgen dat extra gewoon niet. Ook al gaat het om consumptie van luxezaken, je hebt voor je overleving immers geen toegang tot de horeca nodig, het is wel degelijk discriminatie op z’n Chinees.

Het is prcies waarvoor we privacy nodig hebben. Respect voor privacy beschermt tegen discriminatie op grond van individuele eigenschappen of gedrag. Als je niet na kan gaan wie wel en wie niet is gevaccineerd kan je de laatste groep ook de toegang niet weigeren.

Privacy en gelijke behandeling zijn niet absoluut. Er kunnen goede redenen zijn om wel degelijk onderscheid te maken, en om de daarbij behorende informatie te verzamelen. Maar er zijn al lang geleden criteria verzonnen, en door volksvertegenwoordigers en rechters geaccepteerd, om na te gaan wanneer persoonsgegevens wel of niet mogen worden gebruikt om mensen verschillend te behandelen. Je maatregelen moeten effectief, proportioneel en subisdiair (dus aanvullend, dus ‘in laatste instantie’) zijn.

De effectiviteit van toegangsdiscriminatie op basis van vaccinatiestatus is niet aangetoond, maar het zou kunnen werken om de ziekenhuisopnames een beetje binnen de perken te houden door besmettingsrisico’s enigszins te beperken. Proportioneel is het natuurlijk niet als je hetzelfde effect veel makkelijker kan bereiken door sowieso geen grote groepen mensen bij elkaar te laten komen, evenementen zo te organiseren dat iedereen 1,5 meter afstand houdt of iedereen te verplichten een mondkapje op te zetten.

Zelfs als het beoogde effect van 2g een hogere vaccinatiegraad is, voldoet zo’n maatregel niet aan de eis van subsidiariteit. Als je twijfelaars en weigeraars probeert over te halen zich te laten vaccineren dan kan je proberen ze te overtuigen, uitleg te geven, het makkelijker voor ze te maken bijvoorbeeld door prikbussen langs te laten komen, campagnes met rolmodellen te voeren, heel veel aandacht te besteden aan wel-prikkers, enzovoort.

Het is jammer dat elke discussie rond corona gekaapt is door nazis en wappies want er zijn ook echt redelijke argumenten tegen het gevoerde beleid. De mafketels maken het invoeren van een social creditsysteem wel heel erg makkelijk.

woensdag 3 november 2021

Ramsey Nasr, De fundamenten

Ik heb een grote weerzin tegen types ‘des vaderlands’ maar ik had ongelijk. Ramsey Nasr is erg goed. Eloquent, geëngageerd, to the point. Een fijn leesbaar politiek pamflet over corona/toeslagenaffaire/klimaatverandering. Zoals ieder politiek pamflet gaat het uiteindelijk over twee dingen: recht en onrecht, en effectief beleid, ‘wat werkt’. De dimensies waar elke Haagse ambtenaar het bed voor uit komt.

Ik denk dan ook dat zo’n boekje vooral ambtenaren aan zal spreken – mensen die gewend zijn om te lezen en om in termen van recht en effectiviteit te denken. Dat maakt het wel een tikje naïef: alsof er een juiste manier van regeren is en al het andere dom is. Ik ben het inhoudelijk bijna volledig met Nasr eens en ook ik vind andere opvattingen onrechtvaardig of gewoon stom. Die eensgezindheid kan de illusie geven dat we dus gelijk hebben, dat het puur rationeel is om publiek geld in te zetten voor kunst en cultuur, milieu en natuur en armoedepreventie en ontwikkelingskansen. Toch denken wij onze gedachten in de context van een wereldbeeld, mensbeeld, idealen en specifieke moraal, kortom een ideologische context. Niet iedereen zal dat met ons delen. Er zijn best veel andere Nederlanders die echt benauwd zijn voor diversiteit. Die hun comfort en privilege niet op willen geven. Die menen dat een betere wereld niet nodig is of op een andere manier bereikt moet worden. Die meer vertrouwen hebben in een manager als premier dan een in een leider. Onbegrijpelijk, maar ze zijn er.  

dinsdag 19 oktober 2021

Hannah Arendt, Het leven van de geest

 

Zelden heb ik zo’n moeite moeten doen om me door een boek heen te worstelen en nu het uit is vrees ik dat ik er toch bijzonder weinig van begrepen heb. Ik heb geen training als filosoof, het taalgebruik is niet erg toegankelijk, ik heb Kant niet gelezen en van sommige denkers waar Arendt naar verwijst had ik nog nooit gehoord. Wat ik wel denk te begrijpen is waarschijnlijk niets anders dan de passages die ik meen te herkennen als bevestiging van mijn al bestaande ideeën, in gezaghebbende formuleringen. Bevestiging van een mevrouw waar ik het beeld van heb als van tante Arendt, een strenge, hyperintelligente dame die geen geduld zal hebben met mijn onbeholpenheid. Ik ben een beetje bang voor haar, een gevolg van mijn mateloze bewondering. (met dank aan Guido voor dit fantastische interview https://www.youtube.com/watch?v=rpkJ1RAVBZc)

Wat ik dan wel meen te begrijpen – gelukkig kan zij het niet nakijken dus ik hoef niet al te zenuwachtig te zijn dat ik onzin uitkraam – gaat over de sociabiliteit van mensen. Om mens te zijn moeten wij sociale wezens, in relatie tot anderen, zijn. Daar hangt mee samen dat mensen alleen kunnen denken als ze taal hebben, en taal is bijna per definitie (omdat het het middel tot communicatie is) een sociaal fenomeen. Zonder taal zijn gedachten onmogelijk. En er hangt ook mee samen dat er geen Waarheid (á la Plato) is maar wel ‘common sense’: de maatschappelijke ervaring dat mensen heel goed weten wat juist en wat onjuist is, terwijl tegelijkertijd iedereen een eigen perspectief, een eigen positie heeft zodat waarheid er voor iedereen net iets anders uitziet. En toch kunnen mensen, dankzij hun gesprekken, discussies, en empathie, een beeld krijgen van wat waar is en wat niet. Maar die waarheid is wel altijd zodanig dat het niet een De Waarheid is, niet iets buiten de mensen in al hun diversiteit.

Maar goed, dat waren wel opvattingen die ik toch al koesterde, onder de noemers ‘God is het Woord’ en ‘God is liefde’ – waarbij ik liefde als snelle vertaling voor het sociale van het menselijk leven nam. En ook het woord God beschouw ik als een soort steno, een beetje zoals ik van Spinoza heb geleerd, voor alles wat is, het leven, de mensheid, of de natuur (maar dan wel de natuur als het Al waar mensen onderdeel van uitmaken – zonder de mens is er geen god tenslotte).

Waarheid is een intersubjectief begrip en nooit objectief. En god is een taal. Arendt zegt niet wat goed is of wat je moet doen, ze beschrijft hoe het werkt. Hoe denken werkt, hoe willen werkt, hoe oordelen werkt. Voor het denken grijpt ze onder meer terug op Socrates. Denken is een gesprek met jezelf en je kan het maar beter met jezelf eens zijn. Je moet dus consistent zijn in je redeneringen en je gedachten moeten in overeenstemming met je geweten zijn.

“Het spreken dient zonder twijfel ook de communicatie tussen mensen, maar het is daar alleen nodig omdat mensen denkende wezens zijn en als zodanig de behoefte voelen om hun gedachten mee te delen: gedachten hoeven niet te worden meegedeeld om te bestaan, maar ze kunnen niet bestaan zonder te worden uitgesproken – in stilte of luidop in een gesprek, al naar gelang de omstandigheden.”

En

“…de behoefte van de rede bestaat erin rekenschap af te leggen van om het even wat is of voorgevallen is. Deze behoefte ontspringt niet aan de drang naar kennis maar aan het zoeken naar betekenis. Alleen al het benoemen van dingen, het scheppen van woorden, is de menselijke manier om zich de wereld toe te eigenen en zo als het ware de vervreemding van de wereld, waarin, alles wel beschouwd, ieder van ons als nieuwkomer en vreemdeling geboren is, op te heffen.”  

‘Denken’  gaat ook over de tijd, over de oneindigheid die het nu is, het punt tussen geboorte en dood dus tussen niets en niets, waarbij het verleden en de toekomst met elkaar verbonden worden door het nu, door het zijn. Te moeilijk voor mij, ook al heb ik Eckhart Tolle gelezen. Of misschien wel daardoor.

In het hoofdstuk over willen verwachtte ik steeds een uitleg te vinden over vrijheid, maar dit hele hoofdstuk bleek zo moeilijk dat ik er vrijwel niks van kan reproduceren. Arendt behandelt de indruk die we hebben van alles wat is en alles wat gebeurt als iets noodzakelijks, en daarmee niet vrij. Filosofen gaan voortdurend op zoek naar de oorzaken van alles, ze redeneren terug en beschouwen dan een ‘oorzaak’ als iets wat wel móést leiden tot de uitkomst. Maar zij zegt dat vrijheid contingentie betekent: er zou vanalles kunnen gebeuren en eigenlijk vallen er dus juist steeds mogelijkheden af. Daarmee behoud je de vrije wil: je hebt steeds een keuze, om iets wel of juist niet te doen. Er zijn altijd consequenties, dat wel.

“Iets mag dan geheel toevallig gebeurd zijn, vanaf het moment dat het tot bestaan is gekomen en werkelijkheid is geworden, verliest het dit toevallige karakter en biedt het zich ons aan in de gedaante van noodzakelijkheid.”

Vrijheid impliceert toevalligheid. Omdat denkers – filosofen en wetenschappers – nooit bereid zijn geweest de “prijs van de contingentie te betalen voor de dubbelzinnige gave van de spontaneïteit, het vermogen om te doen wat ook ongedaan zou kunnen blijven” richt Arendt zich op het doen, de daad, politiek, en haalt ze Montesquieu aan:

“Filosofische vrijheid bestaat in de uitoefening van de wil, (…) Politieke vrijheid bestaat in de veiligheid, of minstens in de overtuiging veilig te zijn.” De politieke vrijheid van de burger is “die gemoedsrust die ontstaat wanneer iedereen van zijn veiligheid overtuigd is, en om in het bezit van deze vrijheid te zijn moet er zo geregeerd worden dat de ene burger de andere niet hoeft te vrezen.”

Waar filosofen worstelen met de paradox van de noodzaak versus de vrije wil, leidt politieke vrijheid tot binding aan de wet:

“Politieke gemeenschappen, waarin mensen burgers worden, komen tot stand en worden in stand gehouden door wetten. Deze wetten, door mensen gemaakt, kunnen heel verschillend zijn en gestalte geven aan verscheidene regeringsvormen, die allemaal op de een of andere manier de vrije wil van de burgers inperken. Desondanks kunnen ze echter, met uitzondering van de tirannie, waar één arbitraire wil regeert over het leven van allen, een bepaalde vrije ruimte voor het handelen openstellen.” (…) “politieke vrijheid (Jefferson) kan alleen bestaan in de macht om te doen wat we zouden moeten willen en in het niet gedwongen worden te doen wat we niet zouden moeten willen.”

Omdat het over daden gaat, gaat politieke vrijheid eigenlijk niet over de wil maar over macht, over iets kunnen, handelen. En het gaat over samenleven:

“…dat mensen, willen ze in de wereld iets bereiken, in gezamenlijk overleg moeten handelen. Dit zou een gemeenplaats zijn, ware het niet dat er altijd wel enkele leden van de gemeenschap zijn die besluiten om dit te negeren en die, hetzij uit arrogantie hetzij uit wanhoop, alleen trachten te handelen. Afhankelijk van het einddoel dat ze nastreven, gaat het hier om tirannen of criminelen; wat ze gemeen hebben en hen afzondert van de gemeenschap is dat ze hun vertrouwen stellen in het gebruik van geweldmiddelen als een vervangmiddel voor macht. Deze tactiek werkt alleen voor de kortetermijndoeleinden van de crimineel, die na het uitvoeren van zijn misdaad opnieuw het lidmaatschap van de gemeenschap kan en moet opnemen. De tiran aan de andere kant – altijd een schaap in wolvenvacht – kan het alleen een tijd volhouden door zich onrechtmatig de wettelijke zetel van het leiderschap toe te eigenen, wat hem afhankelijk maakt van helpers om zijn zelf-gewilde projecten tot een goed einde te brengen.”

Als ik het goed begrijp is willen iets anders dan wensen, verlangen. Ze haalt een psalm aan waarmee dat duidelijk wordt: “Wanneer het willende ego, in zijn hoogste manifestatie, zegt: “Ik  bemin je: ik wil dat je bent” – en niet: “Ik wil je hebben” of “Ik wil over je heersen” – dan toont het daarmee in staat te zijn tot dezelfde liefde waarmee God vermoedelijk van mensen houdt, die Hij immers alleen geschapen heeft omdat Hij wilde dat ze bestonden en die Hij bemint zonder ze te begeren.

Oordelen lees ik als evalueren, de waarde ergens van bepalen. Gelukkig begint ze dit deel met de controverse rond haar verslag van het Eichmannproces, en het idee van veel mensen dat begrijpen synoniem zou zijn met goedkeuren:

“Begrijpen is zonder einde, daarom kan het geen definitieve resultaten opleveren. Het is de specifiek menselijke wijze van in-leven-zijn; want elke persoon afzonderlijk heeft behoefte aan verzoening met een wereld waarin hij als vreemdeling geboren werd en waarin hij, als gevolg van zijn onmiskenbare uniekheid, altijd een vreemdeling blijft. Begrijpen begint met de geboorte en eindigt met de dood. Voor zover de opkomst van totalitaire regeringen het centrale gebeuren in onze wereld is, komt het begrijpen van het totalitarisme niet neer op het vergoelijken van alles, maar op het verzoenen van onszelf met een wereld waarin zulke dingen überhaupt mogelijk zijn.

Vele weldenkende mensen willen dit proces verkorten, met als doel anderen op te voeden en de publieke opinie te verheffen. Zij denken dat boeken wapens kunnen zijn en dat men met woorden kan vechten. Maar wapens en gevechten horen thuis in het domein van het geweld, en geweld is, in tegenstelling tot macht, stom; geweld begint waar het spreken eindigt. Woorden die gebruikt worden om te vechten, zeggen niets meer; het worden clichés. De mate waarin clichés ons alledaagse spreken en discussiëren binnensluipen, zou wel eens een graadmeter kunnen zijn van de mate waarin we onszelf niet alleen beroofd hebben van het vermogen om te spreken, maar ook bereid zijn om onze discussies te beslechten met geweldmiddelen die doeltreffender zijn dan slechte boeken (en alleen slechte boeken kunnen goede wapens zijn.)”

En even verderop:

“Sinds het begin van deze eeuw gaat de groei van betekenisloosheid gepaard met een verlies aan gezond verstand (gemeenschapszin). In vele opzichten lijkt dit verlies eenvoudigweg op een toenemende domheid. Wij kennen geen eerdere beschaving waarin de mensen onnozel genoeg waren om hun koopgewoonten af te stemmen op de stelregel dat ‘eigenlof de hoogste aanbeveling verdient’ – de veronderstelling van elke reclame.”

Hier komt Arendts ‘common sense’ (het gemeenschappelijke zintuig, het gezond verstand) veel terug. Daarvoor hoef je je niet in ieder ander te verplaatsen en je hoeft ook niet ieders standpunt te kennen, maar je moet wel de openheid betrachten waarmee je ruimte houdt voor ieders perspectief. Openheid en strijd, dus verschillen van inzicht, zijn sowieso een noodzakelijke voorwaarde voor vooruitgang, voor betere opinies. Op je eentje in je eigen hoofd proberen te zoeken naar wat waar is of wat juist is leidt tot stilstand, of nog erger tot ‘individual sense’ wat te vertalen zou zijn met ‘eigen waarheid’ en wat in feite gekte is. Want niet common, gemeenschappelijk, maatschappelijk. Alleen de narcist of de psychopaat denkt dat hij op zijn eentje over De Waarheid beschikt.

Arendt is niet tegen wetenschap maar ze waarschuwt wel dat kennis en feiten geen antwoord kunnen geven op vragen naar wat waar en wat juist is. Daarvoor zijn mores (gewoonten, normen) nodig. “Gezond verstand is slechts dat deel van onze geest en die portie van de overgeërfde wijsheid die alle mensen in elke beschaving gemeen hebben.”

Ideologieën bieden al evenmin soelaas, omdat die een wetenschappelijke hypothese als uitgangspunt nemen en dat vervolgens perverteren tot een ‘vanzelfsprekende bewering waarvan al het overige met een dwingende logische rechtlijnigheid of consistentie kan worden afgeleid. (Waarheid wordt hier inderdaad omgevormd tot wat sommige logici als waarheid beschouwen, maar in feite komt deze gelijkstelling neer op de ontkenning van de waarheid: immers, waarheid wordt altijd geacht iets te onthullen, terwijl consistentie alleen een manier is om beweringen bij elkaar te doen passen’.

“Het belangrijkste politieke verschil tussen gezond verstand (of gemeenschapszin) en logica is dat het gezond verstand een gemeenschappelijke wereld veronderstelt waarin wij allen passen, waarin wij kunnen samenleven omdat we één zintuig bezitten dat alle strikt particuliere zintuiglijke data controleert en afstemt op de data van alle anderen; de logica daarentegen, alsook elke evidentie waarvan het logische redeneren vertrekt, kan aanspraak maken op een betrouwbaarheid die volledig onafhankelijk is van de wereld en het bestaan van andere mensen.”

Het is dat radicale vertrouwen op diversiteit wat me het meest aanspreekt bij Arendt, maar juist dat vind ik nog steeds heel erg ingewikkeld. Wat ontzettend jammer dat ik geen begeleiding kreeg, zoals vroeger van Kees Schuyt bij het lezen van Spinoza, want ook dit boek had me meer opgeleverd als ik erover had kunnen praten met iemand die er meer van begreep. De vertalers (Belgen? Er staan soms echt maffe woorden en zinnen, dat kan aan Arendt liggen maar als je toch vertaalt waarom dan niet meteen in modern leesbaar Nederlands?) geven gelukkig fijne introducties die zeker helpen om de daaropvolgende tekst te bevatten. Dankzij die introducties zie ik dat de particuliere waarneming, unieke gebeurtenissen, verhalen, cruciaal zijn. Ik meen dat Arendt een broertje dood heeft aan logisch opgebouwde stelsels en systemen waarmee de zin van het leven of de enige juiste staatsinrichting wordt verkondigd – inzicht draait om menselijke ervaringen en de verhalen die we elkaar vertellen. Mensen zijn begiftigd met rede, met vrije wil en met oordeelsvermogen en omdat we sociaal zijn, omdat we taal hebben om verhalen met elkaar te delen, leiden die vermogens tot common sense.