dinsdag 26 januari 2016

Ambtelijk vakmanschap en integriteit



Ambtelijk vakmanschap gaat er in de allereerste plaats om de wereld te bekijken door de bril van ‘algemeen belang’, ook al is dat een fictief begrip. Het hogere goed, de samenleving, wat willen we bereiken, maatschappelijke problemen aanpakken, dàt is het ‘algemeen belang’. Sommige jonge ambtenaren vergissen zich en denken dat het dat is wat een electorale meerderheid wil en dan proberen ze te achterhalen wat algemeen belang is met behulp van verkiezingen en enquêtes. Sommige hoge ambtenaren denken dat het politieke belang van hun minister synoniem is met ‘het algemeen belang’. Als ze dat belang goed dienen is het ook goed voor hun carrière, win-win.
Goeie ambtenaren zijn in staat verschillende perspectieven te onderzoeken en zich te verplaatsen in een ander. Bovendien maken ze gebruik van kennis over effecten, neveneffecten en mechanismen, over belangen en wensen en opinies en argumenten. Ze hanteren een goed ontwikkeld moreel kompas, nemen verantwoordelijkheid en schuiven niet af op anderen.
Maar ingewikkeld genoeg moeten goeie ambtenaren zich voegen in ‘het systeem’. Het algemeen belang kan je zien als de waarden van de democratische rechtsstaat, en een democratische rechtsstaat heeft niet alleen professionele, verantwoordelijke, integere, creatieve zelfdenkende ambtenaren nodig maar moet er ook op kunnen vertrouwen dat diezelfde ambtenaren anoniem en bescheiden en neutraal en loyaal zijn. Instituties als ministeriële verantwoordelijkheid, hiërarchie, parlementaire controle en recht dragen de democratische rechtsstaat. Daar passen geen eigenwijze of eigenstandig opererende ambtenaren in.
Totdat ‘het systeem’ zelf verrot is. Dan willen we weer die zelfdenkende, verantwoordelijke ambtenaren. Dan moet er worden geklokkeluid en aan de kaak gesteld. Alleen: hoe bepaalt een individuele ambtenaar het verschil tussen onvrede met zijn persoonlijke situatie in zijn arbeidsorganisatie, of politieke onvrede over de beleidskoers, en misstanden? Wat is integriteit precies in een politieke omgeving waar per definitie verschillen van inzicht bestaan? Zelfs oprecht goeie bedoelingen zijn onvoldoende waarborg tegen misbruik van informatie of oneigenlijk doorbreken van de hiërarchie.
Het lijkt me dat er wel wat handvatten zijn om te bepalen of er iets systematisch mis is met het ambtelijk apparaat. Afschuiven naar boven is misschien zwak, maar afschuiven naar beneden is echt foute boel. Onrechtmatigheden en onethisch gedrag van managers kunnen sowieso niet door de beugel. Machtsspelletjes ten koste van personen zijn uit den boze.
Overheidsorganisaties met een cultuur van cynisme, onrecht en machtsstrijd kunnen het algemeen belang niet behartigen. Als hardwerkende en integere ambtenaren vermalen worden tussen hun loyaliteit en hun verantwoordelijkheid trekt de samenleving aan het kortste eind. Schade die daardoor aangericht wordt kost meer dan een paar procent economische welvaart.

zondag 10 januari 2016

Daniel Levitin, The organized mind



Het leek een interessant boek, vanwege de ondertitel Thinking straight in the age of information overload. Maar ik kwam er niet doorheen, van begin tot einde las ik volstrekt niks nieuws. Jazeker, interessante wetenswaardigheden over hoe onze hersenen werken en hoe je informatie kan systematiseren en wat creativiteit stimuleert. Maar ik wist het allemaal al, doe het allemaal al, of ik vind het gewoon niet belangrijk genoeg om me er zo eindeloos mee bezig te houden. Dat goeie ideeën en oplossingen eerder ontstaan door te dagdromen of niet te focussen, dan door je met een vraagstuk bezig te houden. Dat mensen behoefte hebben aan fysieke objecten om hun geheugen te triggeren en inspiratie te leveren. Dat je minder stress hebt als je je zaken organiseert en dat stress een belemmering voor creativiteit is. Dat organiseren niet betekent dat er geen restcategorie zou mogen zijn. Dat kritisch denken belangrijk is en dat kunst en literatuur noodzakelijke voorwaarden zijn voor volwassen gebruik van je hersenen. Allemaal waar maar het voegt niks toe. Gelukkig maar want als ik een spannend boek had gelezen tijdens m’n vakantie, was ik nauwelijks m’n stoel uit gekomen.

maandag 7 december 2015

Rushdie, Joseph Anton



Rushdies memoir is te dik, en de auteur pimpt z’n eigen rol en karakter hier en daar opzichtig. Maar voor een fan, voor mij, is het fijn leesvoer. Net als The satanic verses lees ik het op verschillende niveaus: ik hou erg van Rushdies taalgebruik, zijn lange zinnen en z’n witty waarnemingen. Het is een soort psychologische thriller over iemand die jarenlang onderduikt en die niet alleen bedreigd wordt door levensgevaarlijke, anonieme vijanden maar vooral heel veel last heeft van angstige en unfaire medeburgers. En natuurlijk gaat het over het fundamentele recht om je te uiten, om te schrijven wat je wil, om satire te produceren, om je niet te verontschuldigen als anderen zich beledigd voelen of vinden dat je boek blasfemisch is. Het schokkendst in dit memoir is de enorme druk die Britse ambtenaren, politici en journalisten jarenlang op Rushdie hebben uitgeoefend om excuses te maken voor zijn boek. En het bekende gegeven dat de meest hysterische haatdragende moordlustigen het boek nooit gelezen hebben, inclusief Khomenie die de fatwa uitgesproken zou hebben. 

Ik herinner me de openbaring toen ik The satanic verses las. Intens genieten, van een boek dat duidelijk geschreven was door een auteur met sympathie voor immigranten, voor mensen uit een islamitische cultuur, een auteur die uit het religieus gezien rijkste en meest diverse land ter wereld kwam. Ik herinner me ook nog mijn afgrijzen toen er een meute brullende mannen door de Parkstraat liep, dreunend van de agressie tegen een boek dat ze waarschijnlijk niet eens konden lezen. Politicus Rabbae die zogenaamd links-liberaal was maar ondertussen tegen Rushdie tekeer ging. Vrijheid van meningsuiting gold, en geldt nog steeds, alleen voor mensen die zich naar de heersende mores voegen. Of alleen voor mensen in de publieke sympathie, omdat ze knap zijn of slachtoffer of celebrety.

M'n extreme afkeer van fundamentalisme heb ik van m'n vader denk ik. Hij schilderde bijbelse taferelen, vaak nogal gruwelijk, en vertelde daarmee een persoonlijk, emotioneel verhaal. Mensen die bij ons op bezoek waren werden soms onpasselijk van een groot doek met een vierendeling, en zijn Salomé kon als ernstig vrouwvijandig worden geinterpreteerd. Toen de pastoor in ons dorp een demonstratie tegen hem organiseerde, schilderde hij prompt een landschap/naakt met de pastoor in de hoofdrol. Er kwam geen fatwa en geen onderduik, al was het maar omdat m'n vader geen bijzonder bekende of begenadigde schilder was. Maar hij moest wel reageren op het afgrijzen van de visite, en daardoor kreeg ik vanaf m'n peutertijd mee dat een kunstenaar zich mag uiten zoals hij wil.

Zonder fatwa zou Rushdie zich misschien nooit zo prachtig verwoord hebben wat uitingsvrijheid betekent, waarom kunst belangrijk is, wat er tegen fundamentalisme is. Hij doet het in dit boek zo verspreid, verstopt in de meer dan 600 pagina’s, dat vermoedelijk veel te weinig mensen het meekrijgen. Iedere herhaling, iedere verspreiding helpt, dus here goes:

“Dear Bernie Grant MP,
‘Burning books,’ you said in the House of Commons exactly one day after the fatwa, ‘is not a big issue for blacks.’ The objections to such practices, you claimed, were proof that ‘the whites wanted to impose their values on the world’. I recall that many black leaders – Dr Martin Luther King, for example – were murdered for their ideas. To call forth murder of a man for his ideas would therefore appear to the bewildered outsider to be a thing which a black Member of Parliament might find horrifying. Yet you do not object. You represent, sir, the unacceptable face of multiculturalism, its deformation into an ideology of cultural relativism. Cultural relativism is the death of ethical thought, supporting the right of tyrannical priests to tyrannise, of despotic parents to mutilate their daughters, of bigoted individuals to hate homosexuals and Jews, because it is part of their ‘culture’ to do so.
Bigotry, prejudice and violence or the threat of violence are not human ‘values’. They are proof of the absence of such values. They are not manifestations of a person’s ‘culture’. They are indications of a person’s lack of culture. In such crucial matters, sir, to quote the great monochrome philosopher Michael Jackson, it don’t matter if you’re black or white.”

“When the history of the twentieth century was written the decision to place the House of Saud on the Throne That Sits Over the Oil might well look like the greatest foreign policy error of the Western powers, because the Sauds had used their unlimited oil wealth to build schools (madrassas) to propagate the extremist, puritanical ideology of their beloved (and previously marginal) Muhammad ibn ‘Abd al-Wahhab, and as a result Wahhabism had grown from its tiny cult origins to overrun the Arab world. Its rise gave confidence and energy to other Islamic extremists.”

“The fundamentalist seeks to bring down a great deal more than buildings. Such people are against, to offer just a brief list, freedom of speech, a multi-party political system, universal adult suffrage, accountable government, Jews, homosexuals, women’s rights, pluralism, secularism, short skirts, dancing, beardlessness, evolution theory, sex... The fundamentalist believes that we believe nothing. In his world view, he has his absolute certainties, while we are sunk in sybartitic indulgences. To prove him wrong, we must first know that he is wrong. We must agree on what matters: kissing in public places, bacon sandwiches, disagreement, cutting-edge fashion, literature, generosity, water, a more equitable distribution of the world’s recourses, films, music, freedom of thought, beauty, love. These will be our weapons. Not by making war, but by the unafraid way we choose to live shall we defeat them. How to defeat terrorism? Don’t be terrorised. Don’t let fear rule your life. Even if you are scared.”

“This was what literature knew, had always known. Literature tried to open the universe, to increase, even if only slightly, the sum total of what it was possible for human beings to perceive, understand, and so, finally, to be. Great literature went to the edges of the known and pushed against the boundaries of language, form and possibility, to make the world feel larger, wider, than before. Yet this was an age in which men and women were being pushed towards ever narrower definitions of themselves, encouraged to call themselves just one thing, Serb or Croat or Israeli or Palestinian or Hindu or Muslim or Christian or Baha’i or Jew, and the narrower the identities became, the greater was the likelihood of conflict between them.”