Normaal gesproken schrijf ik m’n blogs zelf en jat ik geen
complete columns uit de krant. Maar soms is er eentje me zo volledig uit het
hart gegrepen dat ik ‘m graag nazeg. Vrijheid van meningsuiting was pas weer
eens een issue, toen een collega werd gestraft om haar tweet dus om haar
mening. En toen ik daar vervolgens geen blogje over durfde te publiceren, uit
angst dat mensen me verkeerd zouden begrijpen en ook mij in het nazi-kamp
zouden categoriseren. Omdat ik de manier waarop we tegenwoordig over moslims en
de islam praten wel heel erg veel lijkt op de manier waarop joden in de jaren
dertig werden belasterd en ontmenselijkt.
Ik blijf geloven dat John Stuart Mill gelijk had: het is
niet aan de overheid, of aan het recht, om mensen beperkingen op te leggen voor
wat betreft hun overtuigingen of hun uitingen. Je hoopt dat mensen
zelfdiscipline hebben en elkaar opvoeden met moraal, goede zeden en
beargumenteerde tegenspraak. Niet met straf.
In één journaal van twintig minuten merkt de
nieuwslezer drie keer op dat iemand is bedreigd. Om een mening, om een
geloof, om activiteiten die normaal zijn in het rechtsverkeer. Kennelijk
ben ik de enige die er nog door geschokt word,
het wordt tussen neus en lippen vermeld en ik hoor nooit dat de politie
met man en macht achter de griezels aanzit die in het wilde weg
medeburgers lopen te bedreigen. Met als gevolg dat dit een heel
onveilige samenleving wordt, waarin het gevaarlijk is om
je maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen, waarin je ernstige
risico’s loopt als je je mening uit of gebruik maakt van je rechten.
Dat was vroeger – toen alles uiteraard beter was –
toch niet zo? Twintig, dertig jaar geleden hadden er grote koppen op de
voorpagina’s gestaan als er iemand bedreigd was. Was er een compleet
rechercheteam op onderzoek uitgegaan om de onverlaat
op te sporen.
Het internet, natuurlijk. Maar volgens mij is de
mogelijkheid van makkelijke, anonieme, berichten en de stemmingmakerij
in honderden echokamers niet de enige oorzaak. Er zijn kennelijk een
hoop hufters die zich niet weten te beheersen,
die overlopen van agressie en sociale onmacht. Die geen boodschap
hebben aan samenleving of democratische rechtsstaat, voor wie hun kleine
wereld slechts om hun beperkte ikje draait. Dat lijkt me toch een
kwestie van opvoeding, niet van media om je kwaadaardige
berichten te verspreiden.
Na de jaren vijftig zijn we met z’n allen zo bang
geworden voor de spruitjeslucht van ‘hoe het hoort’ en oppassend en
zuinig zijn, is non-conformisme zo hip geworden, dat we doorgeslagen
zijn naar hyperindividualisme en überconsumentisme.
Het zal best wel dat die cultuuromslag gevoed is door economische
zekerheid en Amerikaanse popcultuur, maar verdorie hebben ouders en
onderwijzers dan geen enkele verantwoordelijkheid meer om hun kroost wat
burgerschap bij te brengen? Zijn ze zo onmachtig
om goeie mensen van hun kinderen te maken? Mislukte mensen dus. Je zal
er maar zo eentje zijn.
Een anti-neoliberalismeboek vol economische
redeneringen en argumenten die voor een geïnteresseerde leek makkelijk
te volgen zijn. Goed tegenwicht tegen de Ayn Rand-aanhangers met hun
amorele vrije marktideologie. De meeste van Changs stellingen
worden door sociaal-democraten en sociaal-liberalen al lang
onderschreven, maar meestal op basis van ideologische weerzin tegen
grote inkomensverschillen en een ‘recht-van-de-sterkste-economie’.
Chang laat aan de hand van economische theorie en historische
voorbeelden zien dat de economische nachtwakerstaat niet alleen
asociaal is, maar vooral ook economische ontwikkeling belemmert. Volgens
hem is er een hoop overheidsinterventie nodig voor een gezond
kapitalistisch stelsel waarin de welvaart van landen toeneemt.
In drieëntwintig hoofdstukjes laat hij zien dat de economische
ontwikkeling van landen geremd wordt door deregulering en volledig open
markten; dat de relatie tussen persoonlijke inkomens en productiviteit
erg dun is; dat goede sociale zekerheid arbeidsmobiliteit
en –flexibiliteit bevordert; dat algemeen aanvaarde overtuigingen als
dat meer hoger onderwijs beter is voor de economie onbewezen en zelfs
niet-plausibele hypothesen zijn; dat slim protectionisme heilzaam is
voor economische ontwikkeling.
Een aanrader voor iedereen die belang heeft bij de economie. Iedereen dus.
Er zijn verschillende manieren om de
oorlogsmisdaden die Hamas en Israel plegen te framen: als het
uitschakelen van een gevaarlijke vijand, als een conflict om macht,
territorium en water of als een etnisch-religieus conflict. Als
bombardementen
hèt antwoord zijn op een serieuze dreiging, is Israel de underdog die
niet met zich laat spotten. Als het om macht en recht gaat, zijn de
Palestijnen de underdog die ondanks voortdurende onderdrukking,
vernedering en uitbuiting over enorme veerkracht beschikken.
Een etnisch-religieus conflict heeft niks te maken
met de waarden van een rechtsstaat, met vrijheid, gelijkheid en
broederschap, met rechten die mensen hebben ongeacht hun geloof,
huidskleur of geboorteplek. Het roept herinneringen op aan
de Holocaust en dat mobiliseert de solidariteit van na-oorlogse
democratieën met joden en tegen Arabieren, moslims.
Inwoners van Gaza hebben recht op een menswaardig
leven ongeacht of ze Christen, atheist of moslim zijn. Ze zouden in
vrijheid hun regering moeten kunnen kiezen, of dat nou conservatieve of
communistische of liberale politici zijn. En niemand,
geen enkele staat, kan verontschuldigen dat hun huizen, hun scholen en
ziekenhuizen en fabrieken en winkels worden platgebombardeerd, dat
ongewapende burgers in schuilkelders verbranden, onder tonnen beton
verpletterd worden, bij explosies uit elkaar gereten
worden.
Maar sukkels die het Palestijnse volk en
Palestijnse burgers neerzetten als vrome moslims en als alléén moslims,
die impliceren dat mensenrechten alleen zouden gelden voor
geloofsgenoten, die lopen het risico om iedere solidariteit vanuit
de beschaafde wereld, tegen deze barbarij, te verspelen. De beschaafde
wereld rouwt om 297 burgers die helemaal niets te maken hadden met de
oorlog waarin ze werden vermoord – de reden dat ze ‘onschuldig’ worden
genoemd. De verontwaardiging is niet in de eerste
plaats omdat het landgenoten of geloofsgenoten zouden zijn. Het gaat om
soortgenoten: mensen zoals wijzelf die geen militaire rol spelen in het
conflict waarin ze omkwamen. Het had ieder van ons kunnen overkomen.
De meer dan 400 Palestijnen waren net zo
onschuldig: ongewapend, onmachtig. Maar als ze perse als brave moslims
en Arabieren moeten worden gezien, dan waren ze dus niet zoals wij.
Bij de overheid denken veel mensen dat strategie
iets te maken zou hebben met de toekomst. Strategen zouden de toekomst
moeten voorspellen, of er op z’n minst met een paar raak gekozen
scenario’s voor moeten zorgen dat de organisatie op
de toekomst is voorbereid. Strategie gaat over de lange termijn, het
volgende kabinet, alles behalve het hier en nu.
De verwachtingen waren hooggespannen toen een paar
jaar geleden ieder organisatieonderdeel z’n eigen strategie-eenheid
kreeg. De teleurstelling is daardoor fors: als strategen de toekomst
niet kunnen voorzien zijn ze eigenlijk volstrekt
irrelevant.
Dat is jammer, want het idee dat strategie iets te
maken zou hebben met toekomstverkennen is volgens mij een suf
misverstand. Strategen moeten naar mijn smaak ervoor zorgen dat hun
organisatie zich optimaal positioneert, maximaal datgene
doet waarvoor het bestaat. En dat terwijl de wereld eromheen
voortdurend verandert, voortdurend vraagt om nieuwe interacties. Die
dynamiek levert risico’s op – jawel, mogelijke problemen in de toekomst –
en een strateeg moet de organisatie helpen om die risico’s
te onderkennen en er mee om te gaan. Frontaal in de aanval? Negeren?
Meebewegen? Waarin zitten ‘m de gevaren en hoe reageert de omgeving op
acties vanuit de organisatie? Dáár moeten scenario’s over gaan, en dat
speelt heel dichtbij het hier en nu.
Een strateeg moet dus vooral gevoel hebben voor de
context, het speelveld, van een organisatie. Kunnen waarnemen en duiden
wat daar gebeurt. En dat kan weer alleen maar als je weet waar en hoe je
je organisatie in die context moet plaatsen:
wat is het voor type organisatie, hoe verhoudt het zich tot andere
organisaties en van welke systemen maakt het onderdeel uit, en vooral:
wat is de functie, wat zijn de kerntaken en welke opgave heeft de
organisatie en wat zijn de waarden van waaruit mensen
er werken? Het bekende ‘waartoe zijn we hier op aarde?’.
De toekomst is ongewis. Maar als publieke
organisaties strategisch opereren, is er een goeie kans dat de
democratische rechtsstaat blijft functioneren in vrede, vrijheid en
welvaart.
Voor
het eerst maakte ik mee wat mensen bedoelen die Duits zo’n prachtige
taal vinden. Het kostte me duidelijk extra moeite om een boek te lezen
in een taal die ik nooit heb leren spreken – ik werd als lastige puber
de klas uitgestuurd. Maar passief begrip is goed te doen, en Roth
schrijft op de één of andere manier eenvoudig, terwijl het nooit simpel
wordt. Niet alleen z’n taalgebruik is eenvoudig,
ook z’n verhaal, z’n hoofdfiguren, en z’n thematiek. Door de eenvoud
krijgt het een enorme kracht.
Gewone
soldaat redt instinctief het leven van de keizer, wordt in de adelstand
verheven en wordt daarmee geintroduceerd in de complexe moraal
van de elite. Zijn zoon is niet belast met eenzelfde ingewikkelde
positie in het leven, die wordt in alles het stereotype van de
Habsburgse edelman. De manier waarop hij zíjn zoon opvoedt is daar een
uiting van. Zoonlief, de luitenant, heeft te weinig ruggegraat
om van drank, gokken en een vrouw af te blijven en als hij eindelijk
iets dappers doet is dat vooral een onbezonnen daad die hij met de dood
bekoopt. Hoe heldendom verwordt tot erfzonde.
Afgezien
van de fijne literaire ervaring vond ik het fascinerend om een beeld te
krijgen van de Duits-Habsburgse wereld rond de eeuwwisseling.
Ik had nooit beseft hoe ontzetted ver weg die wereld van de mijne is,
hoe vreemd en bizar, terwijl je het turend door een kaleidoscoop toch
herkent als een voorganger van onze werkelijkheid. De absolute waarde
van gehoorzaamheid en conformisme, de strikte
scheiding van klassen en rangen en beroepen zodat er bijna een soort
kastenstelsel bestaat. We kennen het nu niet meer, maar herkennen het
wel en als lezer ben je griezelig goed in staat om te begrijpen hoe het
werkt.